Het thema “quota” is weer terug, in vele gedaanten. Jesse Klaver stelt dat een kabinet voor 50% uit vrouwen moet bestaan, in DWDD wordt meteen de vraag gesteld of er niet nog andere bevolkingsgroepen zijn die positieve discriminatie verdienen en de korpschef van de nationale politie maakt bekend dat hij nog in 2017 de politie “diverser” wil maken. Hiermee bedoelt hij politiemensen met een migratie-achtergrond, maar ook ander personeel dat in traditionele sollicitatieprocedures niet snel komt bovendrijven, zoals LHBT’ers, vrouwen, bèta’s en zij-instromers. Persoonlijk vind ik de bèta’s in dat lijstje nog al een verrassing. Bèta’s zijn mensen die een exacte opleiding hebben genoten, een technische inslag hebben en in het algemeen als probleemoplossers worden gezien van problemen waar een technische insteek het verschil kan maken. Ik had geen idee dat dit een doorsnede van de samenleving was die binnen het politie apparaat tot de minderheden behoort. Verhelderend en misschien wel veelzeggend.
Desondanks blijft het vreemd om criteria die in wezen niets met de inhoudelijkheid van de functie hebben te maken, als selectie te gebruiken in een sollicitatieprocedure. Als je specifiek bèta deskundigheid tekort komt in je organisatie, dan dient dat inhoudelijk terug te komen in de functieomschrijving en trek je dus automatisch mensen aan met de bijbehorende vakopleidingen. Is dat geen specifieke eis om de vacante functie goed te kunnen vervullen, dan is het raar om mede daarop te selecteren. Dat geldt net zo goed voor alle andere genoemde dwarsdoorsneden van de bevolking. Ja, overheidsorganisaties horen in hun personeelsopbouw een evenwichtige afspiegeling van de maatschappij te laten zien. Maar dan ook in de werkelijke zin van dat woord: afspiegeling. Bepaalde rollen en functies trekken in onze maatschappij nog altijd meer vrouwen, LHTB’ers, bèta’s of mensen met een migratie-achtergrond. Ga maar eens tellen in de verpleging, de ICT-sector, de bouw, de horeca, call-centra, kappers en de wereld van de entertainment. Overal liggen de accenten anders en 99 van de 100 keer komt dat door de voorkeuren van de genoemde groepen zelf om voor bepaalde beroepen te kiezen en voor andere beroepen juist niet. Als je daar geforceerd vanaf wil wijken, stel je je vanzelf bloot aan de vraag “Waarom wordt deze groep bevoordeeld en niet de vele andere groepen die ik zou kunnen benoemen?”.
Binnen een overheid kijken naar wat voor soort beroep nu vacant is, kijken hoe de demografische opbouw binnen die beroepsgroep landelijk of op Europees niveau eigenlijk is en vervolgens proberen diezelfde, binnen die beroepsgroep herkenbare verdeling, ook binnen de overheid na te streven, is al beter verdedigbaar. In elk geval beter dan ongewogen te stellen dat bijvoorbeeld 50% vrouw moet zijn. Maar zelfs dan is het instellen van quota een heel kunstmatig hulpmiddel, dat geen fundament heeft in het beroep zelf. Wat daardoor geen afspiegeling is van de werkelijke demografische verhoudingen binnen de sollicitanten of gegadigden voor een functie. Het is een optisch middel om goeie sier te maken bij burgers en achterban. Als het een middel zou zijn om echte verandering te bewerkstelligen, dan zou er een stip op de horizon aan te wijzen moeten zijn waarop het hanteren van het quotum niet meer nodig is. De maatschappij zou zich dan zodanig hebben aangepast dat de wenselijke verdeling over alle demografische groepen zich vanzelf aandient als banen en functies vrijkomen. Tot nu toe is er geen bewijs voor te vinden dat dit zo werkt en blijft een quotum slechts zolang in tact als dat het door beslissers wordt afgedwongen. Een bèta zou op basis van exacte logica zeggen: “Dan is het dus ook geen echte afspiegeling van de maatschappij en had het nooit gehanteerd moeten worden.”.